'De Stadsreus', ook 'De Reus' of 'Goliath I' genoemd.
1494: “ Het magistraet der stad deden maecken een
schoone reus van mandewerk welke reus wiert gedragen door zes arbeyders gekleet in het wit. Hij was gekleet op zijn periaens
met swarten panen rock, het andere gedeelte van ‘t lijf was geschildert als ene harnas met een sabel aan zijn gat geheel
schoongemaeckt welcken reus wierd vooren opgedragen in het begin der processie.”
Deze tekst komt uit Beaucourt de Noortvelde “Documents historiques”, Tome II, 1904, bl. 74 en is overgenomen uit een
handschrift (deel I) bl. 15 van J. B. Rybens, in zijn leven bakker en sekretaris van de Nieuwpoortse Rethorica. Dezelfde
tekst vindt men in de aantekeningen van Gerard Dingens, sluismeester in 1914. (K. R. Berquin)
Fr. De Potter in zijn “Schets eener Geschiedenis der Gemeentefeesten in Vlaanderen” 1870, schrijft, dat het bestaan van
de Nieuwpoortse reus dateert uit 1494.
De historische bron, waaruit genoemde schrijvers deze inlichtingen geput hebben, wordt niet vermeld, zodat we 1494
betwijfelen als oudste datum van het bestaan van een reus te Nieuwpoort.
De eerste vermelding over het bestaan van een Nieuwpoortse reus is de stadsrekening 1653-54 (Archief nr. 3721):
“Dhr Pieter van Slype die ghelevert heeft cleedre tot de reus es betaelt par ordonnantie ende quytantie L vii xii sp.”
Zijn dit kleren voor een nieuwe reus of voor een reeds bestaande?
De rekeningen van 1654 tot 1674 vermelden de onkosten van het dragen van de reus door de arbeiders en levering van
benodigdheden voor allerlei herstellingen aan de reus.
De reus kwam buiten op de kermisdag en werd gedragen door zes arbeiders.
(rek. 1670-71)): “Ghepresenteert an zes arbeyders die de reuse ghedreghen hebben op den kermisse 1671 met trecht van
muselaer of violonspeelder par ordonn. Ende quttan. XXII Ib. p.”
Deze vioolspeler of muselaar stapte voor de reus.
De reus was soms vergezeld van de Draak, Walvis, Eenhoorn en Kemel (rek. 1670, 71, 72, en 1712-16).
In 1765 werd een nieuwe reus gemaakt: “Aen Sr Pr. Jacques Vande Casteele over leveringe van lynwaet stoffen en andere
noodigheden van de cleedinge van den nieuwen reus Lx GL. XI. ST. anno 1765” (Rond den Heerd, XXVe deel, 1890, blz. 89 en vgl. Ad. D.)
De reus was stadseigendom en werd gedragen door arbeiders die ervoor betaald werden in speciën en met bier.
(rek. 1656-57: ghepresenteert ande arbeyders ghedreghen hebbende de reuze op den kermesdach ten jare 1656 een tonne bier er
voor betaelt XVIII lb. par.)
De ommegangen gebeurden over het algemeen in de zomer en het dragen en doen dansen van een reus, veroorzaakten dorst, en
om deze te lessen moest er gedronken worden. Dat er gretig gebruik van gemaakt werd, bewijst de spreuk: “Hij heeft de reus
gezien” of “Hij is tegen de Reus gelopen”. Vandaar in de laatste strofe van het Reuzenlied: “Sa moeder, stopt nu maar het
vat, de reus is zat”. Dat de dragers “het scheef lopen van de reus” op hem schoven, was natuurlijk, hij bleef toch zo stom
als een vis.
De dragers waren in het wit gekleed: witte lijnwaden broek, brede zwarte lendenriem, wit hemd, witte slaapmuts en grote
rode zakdoek, die als handdoek moest dienen, daarbij hadden zij nog een singel om de reus te dragen.
De leider of de tamboer-majoor leidde de reus met zijn stok. Door zijn bewegingen wist de voorman, die binnenin aan het
kijkgat van de reus stond, welke bevelen hij moest doorgeven aan de dragers onder de rok van de reus verborgen. Vooral de
dans leiden was de taak van de tamboer-majoor. De laatste leider was Michiel Dekeyser (1847-1920), hovenier van beroep.
“Een boom van een vent”. Zijn kledij was anders dan die van de gewone drager. Buiten de witte broek en dito hemd, had hij
een grote berenmuts en een paar glimmende laarzen aan, die hij ging ontlenen bij de Rijkswacht. Op zijn doodsantje luidde
de eerste strofe:
Forsche man van ’t oude Nieuport
Kloek gespierd en sterk gebouwd
Deken van de reuzengilde
Die wat levenslast ook vroeg
Rusten nooit, noch roesten, wilde
Tot de dood hem neersloeg.
De reus werd eenvoudigweg betiteld als De Reus of De Stadsreus.
Wanneer werd hem de naam Goliath gegeven?
In de tekst bij A.M. “Histoire de Nieuport” 1876, wordt hij Goliath genoemd: “… et s’appelait Goliath”. C. Wybo
in “Nieuport Ancien et Moderne” 1905, bl.63: “Le Géant de Nieuport appelé Goliath". Oktaaf Steghers in “Vlaamsch Leven” 15
nov. 1915, bl. 104: “Nieuwpoort is eveneens een Goliath rijk, die thans 240jaar oud moet zijn”.
Wat er ook van zij, de stadsreus heeft op een gegeven ogenblik de naam Goliath gekregen. Maar hoe en wanneer?
Alhoewel Ad. D. in Rond den Heerd (boven geciteerd) in 1890 schrijft: “De Reuze van Nieupoort heeft nooit geen name gedregen
dat ik wete”.
We zullen in het verdere verloop van de geschiedenis van de Nieuwpoortse reuzen, deze stadsreus aanduiden als
Goliath I.
Die reus zou het zinnebeeld zijn van de heldenmoed der Nieuwpoortnaars tijdens het beleg van 1489, waarop de tekst van
A. Meynne zinspeelt: “De Reus verbeeldt ons voorgeslacht” en in zijn “Poëzie” 1852:
“De Reus is ’t zinnebeeld van zege en heldenmoed
En dappre krijgsdaen, door de Nieupoortnaers bedreven,
Toen beide kunne streed en waegde have en bloed
Door ’s stads ontzetting, werd des vijands heir verdreven.”
en verder:
“’t Jaer veertien honderd negen en tach
zwaaide hij de vlag
en won de slag.
Hij gaf een dans
Bij ’s stads ontzetting,
Hij gaf een dans
aen den Fransch.”
Onze held kon echter ook vreedzaam en devotelijk opstappen in de processie. “Kermisse 1671. Uutganck der Processie.
Eerst de reuse sal staen van ’t weste ’t hoeckhuys der drye Conynghen: … Naer de priesters het hoogweerdich, daerachter de
heer gouverneur en het magistraet met de volghers en soo haest voor by de reuse synde sal de reuse volghen…” (De Toekomst,
weekbl. 27-6-1937).
De reus was ook van de partij op de Eremis van E.H. Aug. Declerck in het College op 9 juni 1884
(De Toekomst, 15-1-1939).
Eigenaardige voorvallen kan de reus beleven.
Het zesde couplet van Het Klagt-Lied van de Reus van Nieupoort (Volksliederen en Gedichten door Ferdinand Morael, eerste
deel, Liederen, blz. 202):
‘K herinnert my maer ’t is lang geleden
‘k stond op de merkt regt voor de groote wacht:
een jeugdige paer kwam vrolyk aengetreden
en zogt by my een schuilplaats voor dien nacht,
zy zyn te saem my binnen ingekropen
“In 1794. ….stond onder den grooten tooren den reuse, in een kot expres daer voor gemaekt, welk kot sy hebben opengebrooken
en den reuse daer uijt gehaelt, en den selven gants aen stukken getrocken, benevens syn kot. Daer was niets die hunne
destrueerende handen konde ontgae, daer was nog evenwel met groote moeyte van den reuse gesalveert synen kop.”
(Rybens, deel I, blz. 163).
Het waren Franse soldaten, die de stad bezetten en hun woede of uitzinnigheid op onze reus uitvierden.
Een ooggetuige vertelt over het monteren van de reus: “Hij werd opgeslagen aan de westergevel van het stadhuis (nu het
Vredegerecht). In de bovenste standvenster had men een katrol of schuifloop op een vooruitstekende balk vastgebonden. Bij
middel van de schuifloop werden de onderscheiden delen van de reus ineengestoken. De hoepel of onderlijk in de vorm van een
afgeknotte kegel werd overspannen met een rok uit ruw en sterk lijnwaad. Deze verborg de dragers, die met schoudersingels de
reus droegen. Het bovenlijf was uit wissen gemaakt, met een harnas omgeven uit geschilderd karton gemaakt en versierd met
belegsels. Het aangezicht was in koper. De pruik uit zwarte paardenstaarten samengesteld hing tot de schouders; een oosterse
tulband met een haneveer was het hoofddeksel. Deze haneveer was in feite een bezem (een bundel wissen). Op de rechterwang en
neus waren tâches de beauté’s of in de volksmond pokken geschilderd.”
Vandaar het liedje:
‘k Ben weest kieken naor de reuze
hy had twee (drie) pokken op zyn neuze
hy had een hogen hoed en een roksje van katoen
hy had twee (drie) pokken op zyn neuze
en hoep marianneke sausepanneke
tegen vastenavond
en hoep marianneke sausepanneke
tegen karnaval.
Enkele andere versies:
Wij zijn de jongens van de reuze
Hij heeft twee pokken op zijn neuze
Wij zijn bijeen en blijven bijeen
Nooit zullen we elkander verlaten
En hoep marianneke )
Danst m’n manneke ) bis
’t is karnaval.
‘k Hen gen kieken no de reuze
en ‘k hen zo verschoten van heur neuze
z’ had een hogen hoed en e roksje van katoen
en z’ had e bubbel op heur neuze
(gezongen door de hedendaagse Nieuwpoortse jeugd)
…………
ze droeg en hogen hoed en e roksje van katoen
en z’hadde twee porren op heur neuze
De reus zou in feite drie pokken gehad hebben. “De uitdrukking van dit gezicht, dat 3 puisten draagt, ene slinks op de kin,
ééne op de rechter kake en een slinks op de neuze staatforsch en krachtig.” (Rond den Heerd, 25ste deel, 1890. Ad. D.)
De technische gegevens: hoogte 7.75m, 3.50m doorsnede, door 12 mannen gedragen (Rond den Heerd, geciteerd).
In de Stoet der Reuzen en Volkslegenden te Brussel in 1890 was Goliath aanwezig. Pol De Mont in Volkskunde, III, jg. 1890,
bl. 167-68, schrijft van “den dreigenden Nieuwpoortse Reus”… “of was het wellicht de enorme Nieuwpoortse Reus, die met zijn
pruik à la Louis XIV zijnen rijkbevederden tulband, zijn schitterende harnas – den volgeling van Mohammed de schrik op het lijf
joeg!” (Die volgeling van Mohammed was de Reus: de Grote Turk uit Brussel, die op een andere reus viel.)
In de linkerhand stak een reuzenzwaard (uit hout en verzilverd) horizontaal achterwaarts.
De kop kon draaien. In de heupenscheiding tussen hoepel en bovenlijf was een gestoelte aangebracht, daarop zat een arbeider
die met een koord de kop van de reus naar rechts of naar links deed draaien. Deze zitplaats werd afgeschaft wegens het gewicht
van de man, dat de reus natuurlijk zwaarder maakte. De “kopkoorde” werd verlengd, zodat men van op de begane grond de kop kon
doen draaien.
De straatbengels, die de reus te dicht naderden tijdens de rondgang om kattekwaad uit te steken, werden op afstand gehouden
door een van de dragers, die buiten de reus liep. Deze dragers dienden om de reus te helpen tegenhouden bij eventueel kantelen.
De jongens, in hun spel gestoord, riepen dan:
reuze heeft joengen in
de reuze heeft joengen
’t is van Ré Abeele.
Ré Abeele was de naam van een drager genaamd Honoré Vandenabeele.
|