|
De Stadshallen en de Belfortoren
In haar huidige gedaante behoort de Nieuwpoortse graanhalle tot het type van
kleinere Vlaamse hallen uit de middeleeuwen. Op basis van de laatgotische stijl
vermoedt M. Reynaudt dat dit pand omstreeks 1480 gebouwd werd. Dat er echter reeds
sprake was van een halle te Nieuwpoort in 1280 beklemtoont het bloeiende handelsverleden
van onze kuststad. Zeker is dat de inkomsten van deze halle in 1292 voor een groot deel
gebruikt werden voor de bouw van de nieuwe Sint-Laurentiuskerk, de huidige "Duvetorre".
Bij het innen van de grafelijke belasting in 1313 komt de halle opnieuw ter sprake.
Na de brandramp van 1383, waarbij een groot deel van de stad in as gelegd werd, fungeerde
de halle zelfs tijdelijk als stadshuis. Een lading dynamiet van het Belgisch leger rukte
hem op 17 oktober 1914 tijdelijk uit het stadsbeeld weg. De heropbouw, in originele stijl
en met hetzelfde materiaal, gebeurde in de jaren 1920-21. Het gelijkvloers werd nadien
weer als boter- en eiermarkt gebruikt, terwijl de eerste verdieping diende voor muzikale
aangelegenheden. Na het herstel van de in de Tweede Wereldoorlog opgelopen schade, werd de
benedenverdieping in 1956 ingericht als museum van vogels en schaaldieren. Er was een
panoramisch schilderdoek van 60 meter lang te zien, dat in 1986 door Marc Bollion
gerestaureerd werd. In 1972 werd in de bovenzaal van de stadshalle het museum voor
geschiedenis en volkskunde ondergebracht. Na de restauratie van de negentiger jaren
verdwenen deze musea uit het cultureel en toeristische-recreatief aanbod van Nieuwpoort.
De graanhalle heeft een rechthoekig grondplan en is bedekt met een zadeldak. De marktgevel
is 7 traveeën lang en 2 bouwlagen hoog. De vijf nissen met puntgevel, uitgebouwd tegen de gevel
van het gelijkvloers, zijn vermoedelijk niet origineel. Tussen de puntgevels zijn oculi aangebracht.
Elke nis is op zijn beurt gevuld met een blinde korfboognis in een spitsboogvormige omlijsting.
Dezelfde boogtypes vind je terug in de afwerking en het lijstwerk van de deuren aan beide uiteinden
van de gevel. In de spitsboognis boven het linkerportaal stond tot aan de Eerste Wereldoorlog een
waardevol beeld van Sint-Anna-ten-drieën. Het houten beeld stond vroeger in het museum en heeft
ook nu nog een plaats gekregen in de Geeraertzaal. Aan de rechterkant van de marktgevel leiden
een steektrap en een bordes naar de bovenverdieping. De ramen van de bovenverdieping zijn
rondboogvormig ingelijst. De drie pilasters, resp. ter hoogte van de eerste, de derde en
de vijfde nis, zijn bekroond met een pinakel dat boven de fraai versierde borstwering
uittorent. De versneden hoeksteunberen eindigen op een achtkantig en gekanteld hoektorentje
met een decoratieve sokkel.
De vierkante, laat-gotische belforttoren (35m) is in het oostelijk deel van de halle
geïntegreerd. Hij telt vijf geledingen. In het lijstwerk van ramen, deuren, nissen en galmgaten
herken je ook hier meerdere boogtypes: de rondboog, de spitsboog en de korfboog wisselen elkaar af.
Deze verscheidenheid getuigt van de bewogen bouwgeschiedenis die de Nieuwpoortse architectuur in het
tweede millennium van onze tijdrekening te beurt viel: bij een restauratie copieerde men zoveel
mogelijk het originele concept, doch dikwijls werden ook verbouwingen en aanpassingen uitgevoerd.
Die vier achtzijdige hoektorentjes vertonen een sterke gelijkenis met deze van de Onze-Lieve-Vrouwekerk:
hogels enkruisbloemen dragen hun steentje bij tot de decoratieve afwerking. Boven op de piramidale,
bakstenen torenspits prijkt een windwijzer met symbolen van het stadswapen: een schip en een leeuw.
De zoldering van de benedenverdieping wordt geschraagd door vijf houten stijlen. De bovenverdieping
heeft een open dakstoel, bestaande uit twee boven elkaar geplaatste schaargebinten.
|