|
De Sint-Laurentiuskerk
De Sint-Laurentiuskerk, gebouwd op de hoek van de Ramskapelle- en de Hemmestraat, dateert uit de grootscheepse wederopbouwcampagne
(1923) na de Eerste Wereldoorlog. Ze werd toen heropgebouwd naar het concept van de op 25 oktober 1914 afgebrande kerk
die tussen 1635 en 1863 in diverse stadia tot stand kwam, nl. een laat- en neo-gotische hallenkerk. Van de eerste kerk uit de periode
van de drooglegging (12de eeuw) is er alleen de zekerheid dat ze er geweest is. Het kerkhof rond de kerk is aan de straatzijde met een haag
en een rij linden afgezoomd en via een waaiervormig netwerk van gekasseide paden toegankelijk.
Bij de ingang van de kerk zie je de steen van waarop de "roeper",'s zondags na de hoogmis, de plaatselijke berichtgeving met luide stem
aan de bevolking kenbaar maakte. Let ook op het constructiemateriaal: baksteen vervaardigd uit polderklei heeft een typische gele kleur.
De plattegrond bestaat uit een voorstaande westtoren, een middenbeuk van vijf traveeën met een vijfzijdige sluiting en twee zijbeuken van vier traveeën
met een vlakke absis. De sacristie is gelegen in het verlengde van de rechterzijbeuk.
De sobere toren is drie bouwlagen hoog. De onderste geleding bevat een korfboogdeur in een rondboogvormige omlijsting en een oculus. Met
uitzondering van een aantal kijkspleten zijn de gevels van de tweede bouwlaag volledig blind. Boven de spitsboogvormige galmgaten eindigt de klokkenkamer op een niveau
met oculi en een rechte borstwering? Een achtzijdigde naaldspits bekroont de torenromp. Versneden hoeksteunberen schragen de toren; ze worden extra geaccentueerd door een spitsboognis, die over de drie verdiepingen doorloopt. Zulke verdiepte gevelvelden noemt men in de vakterminologie casementen of lisenen. De drie
beuken zijn elk met een leien zadeldak bedekt. In de noordgevel van de middenbeuk staat een rondboogvormig deurtje
in een tudorboogvormige omlijsting, de bekronende nis heeft een zelfde afwerking. De spitsboogvormige drielichten met traceer-en maaswerk en de versneden steunberen zijn elementaire
kenmerken van de gotische vormentaal. Een dwarsbeuk of transeptarmen zijn er niet.
Conform de buitenarchitectuur is ook het interieur illustratief voor een landelijke hallenkerk met regionale
kenmerken van de kustgotiek. In dit verband verwijzen we naar de spitse scheibogen, geschraagd door bakstenen pijlers met een achtkantige
sokkel en decoratief kapiteel. Een houten spitstongewelf overspant zowel de middenbeuk als de zijbeuken. Op de bouwtechnisch onstabiele polderbodem is een zulkdanig lichte constructie het meest voor de hand liggend. De brandglasramen in het koor stellen enerzijds taferelen uit het laatste avondmaal voor en bevatten anderzijds afbeeldingen van
HH. Alfonsius, Johannes Tacitus, Agnes, Clara en Maria. De eenvoudige, getraliede zijbeukramen vormen hiermee een schril contrast. De Romaanse doopvont achteraan in de linkerzijbeuk is
het pronkstuk van het kerkmeubilair dat grotendeels neogotische is en uit de naoorlogse wederopbouw van 1924-25 dateert. De schilderijen "De Marteldood van de H. Livinius" (naar Rubens, door Jan Devliegher, 1986) en "De Doop" (groep mensen, 1987) zijn van recente ouderdom.
|