De Onze-Lieve-Vrouwekerk

De Onze-Lieve-VrouwekerkDe hoofdkerk van Nieuwpoort paalt aan de Willem De Roolaan, de Onze-Lieve-Vrouwstraat, het Hendrik Geeraertplein en de Kerkstraat. Ze staat dus in het zuidelijk deel van de stad, maar genoot eertijds toch nog net de bescherming en de geborgenheid van de middeleeuws stadswallen. De onmiddellijke omgeving bestaat uit de grasperken, deels gekasseide paden en aanplantingen van dennen en linden.

De gotische hallenkerk werd in 1922 wederopgebouwd naar het origineel concept dat tussen de 12de en de 15de eeuw vaste vorm kreeg. De Neogotische beiaardtoren daarentegen werd pas in 1952 toegevoegd. In onderstaand kaderstukje brengen we een bondig en chronologisch overzicht van de bouwgeschiedenis. Nadien schenken we uitgebreid aandacht aan de architecturale aspecten van deze imposante kerk.

De plattegrond van de Onze-Lieve-Vrouwekerk is samengesteld uit een driebeukig schip van zes traveeën, een dwarsbeuk van één brede travee, een hoofdkoor van vier traveeën en zijkoren van drie traveeën met rechte sluitingen. Sacristieën bevinden zich zowel ten noorden als ten zuiden van de koorpartij. In het verlengde van de noordelijke dwarsarm staat een vrijstaande toren.

De Onze-Lieve-VrouwekerkIn de westgevel van de benedenkerk komen de drie evenwaardige beuken van deze gotische hallenkerk het best tot uiting. Het spitse boogveld van de gevelvullende ramen is opgevuld met een flamboyant traceer- en maaswerk. Aan beide uiteinden torent een achtkantig pinakel met blindnisjes, hogels en kruisbloemen. Het hoofdportaal bevat twee identieke korfboogdeuren in een dito omlijsting. De middenstijl profileert zich als een halfzuiltje met een Mariabeeld onder baldakijn.

Ook de zijbeuken, transeptarmen en koren etaleren verfijnde kenmerken van de gotische vormentaal en ornamentiek: versneden steunberen met bekronende pinakels, elegante hoektorentjes, gesloten borstweringen en spitsboogramen met traceeer- en maaswerk. Tegen de tweede travee van de noordelijkezijbeuk staat een portaal van één tracee onder een zadeldak. Tegen de vierde travee van dezelfde beuk bevindt zich een doopkapel van één travee met een driezijdige absis. De gevels van de dwarsarmen eindigen op een natuurstenen spitsboogfries met een ingelegd driepasmotief in baksteen. Op de viering prijkt een ranke lantaarnspits.

Tussen de diverse ruimten van het interieur staan spitse scheibogen, rustend op natuurstenen zuilen met achtzijdige sokkels en koolbladkapitelen. De spitsboogvormige overwelving bestaat uit hout of beton. De grote brandglasramen van het koor zijn doorgaans in donkere tinten beschilderd, zodat de lichtinval eerder beperkt is. Ze behoren tot de meest waardevolle schatten van het interieur en stellen, naast een aantal klassiek/bijbelse thema's, ook plaatselijke historische gebeurtenissen voor. De rest van de kunstschatten en het kerkmeubilair werd tijdens de Eerste Wereldoorlog vrijwel volledig vernield.