De plaatsing van de Staatse troepen

De opstelling van de Staatse troepen werd het meest gedetailleerd beschreven door sir Francis Vere: "Daar de ruimte tussen de zee en de duinen was beheerst door die duinen, en tussen de toppen van die duinen veel ruimte was, bleek het onmogelijk voor ons om die ruimte te bezetten. Ofwel dicht opeengeplakt blok vormen, ofwel losjes verdeeld over de oppervlakte. Op de andere zijde van de duinen, naar het vasteland toe, wanneer die volledige ruimte niet in ons bezit was, kon de vijand naar de haven van Nieuwpoort optrekken. Daar lag onze brug en lagen de meeste van onze schepen op droge grond. Die waren machteloos en de vijand was in de mogelijkheid om die uit te branden. Ik wilde op al die mogelijkheden voorbereid zijn.

Ik vond een plaats waar de duinen zo gelegen waren dat er een ruimte tussen was. Die ruimte was nauwer op de zeekant. De geul liep van het zeestrand naar het land en daar waren de duinen smal. Die waren ook gemakkelijk door onze troepen bezet. Het was mogelijk om daar meteen de zeekust, de kustweg en de voet van de duinen te verdedigen. Op deze plaats wilde ik de vijand opwachten. Daar had ik mijn troepen gelegerd.

Ik stelde de voorhoede samen met duizend man: 250 Engelsen, de wacht van de Graaf Maurits samengesteld uit 250 man, en 500 Friese musketiers. De anderen waren schutters en piekeniers. De Engelsen, en 50 van de Grafelijke wacht werden op de top van de heuvel geplaatst en lagen zo meer vooruitgeschoven. Het was moeilijk om die steile heuvel, de duintop, te beklimmen. De top van de heuvel was hol, zodat de troepen als het ware door een scherm verscholen waren.

Juist achter die heuvel, ongeveer honderd stappen verder was er een hogere top. Op die top plaatste ik de andere 200 man van de wacht en met weinig werk lagen ook zij in goede bescherming. Die twee heuvels waren verbonden door een iets lagere richel, oost-west gericht, die zich breed uitstrekte in zuidelijke richting. Daar was de grond begaanbaar, maar op de buitenzijde heel steil, los, zanderig en moeilijk te bestijgen. Daar plaatste ik 500 Friese musketiers.

Ik gaf hun leiders bevel om hun geschut op de zuidwand te richten wanneer de tijd gekomen was. Dit was onze rechterflank wanneer we de vijand in de ogen keken. Tussen de twee heuvels, op de linkerflank, plaatste ik gedekt de helft van de Engelsen richting zee. Dit maakte ongeveer 700 soldaten geordend met hun gezicht naar het noorden om onze linkerflank te beschermen. Wanneer de vijand het aan zou durven daar voorbij te komen, kwamen wij dan oog in oog te staan met elkaar. Op het zand, meer naar het oosten toe werden - met ruimte tussen hen in - de andere twee groepen Engelsen geplaatst. Een mooie opening werd vrijgelaten op de zeezijde.

De Friezen waren opgesteld in vier bataljons, twee op de voorkant om de vijand te ontmoeten, en één van de andere bataljons achter hen, in dichte gelederen om de andere troepen een betere plaats te geven. Zo schaduwde de ene de andere niet, maar allen zouden oog in oog komen met de vijand. De voorhoede bezette één derde deel van de duinen, de rest zou bezet worden indien dit noodzakelijk zou zijn. Op de linkerzijde, de zeekant, en meer vooruitgeschoven plaatste ik het paardenvolk".