Het bataljon

Maurits richt als fundamentele tactische eenheid het bataljon op, bestaande uit hoogstens 500 man (300 piekeniers en 200 musketiers). Maar voor het gevecht gebruikte hij dubbele bataljons.

Het bataljon stond op 10 gelederen diep om te vuren. De musketiers encadeerden aan weerszijden van de piekeniers. De musketiers werden op 10 gelederen geplaatst zodat het vuur continu kon zijn. De aanvoerders van het Nederlandse Leger hadden het "terugmarcheren" bedacht om de musketiers onophoudelijk te kunnen laten vuren. De musketier die zijn wapen afgevuurd had, marcheerde na elk schot door de tussenruimte naar achter om te laden. Terwijl de negen volgende schutters op hun beurt het vuur op de vijand openden, had hij namelijk de tijd om opnieuw zijn wapen te laden. Als de troep in voorwaartse beweging was, dan plaatste er zich telkens een nieuw gelid voor diegenen die als laatsten hadden afgevuurd. Bij het terugtrekken maakte het voorste gelid, dat pas had afgevuurd plaats voor het voorlaatste gelid.

De rijen werden minder en minder diep, omdat het musket zich verder ontwikkelde en verbeterde. Er was niet meer zoveel tijd nodig om het musket te herladen. Door het vuur bereidden de musketiers de schok voor en desorganiseerden ze de kleine flankerende vierkanten, om daarna de grote formaties aan te tasten.

De musketiers namen plaats achter de piekeniers voor de stormloop. Deze vielen de door het vuur aangetaste vijand aan. De musketiers volgden de piekeniers en beschermden de flanken.