|
De artillerie en treinen
De artillerie werd in de zestiende eeuw nog niet als wapen beschouwd, waardoor
de gewone militaire rangen en organisatie niet aangetroffen werd. De artillerie
was weinig talrijk en weinig mobiel, en speelde maar een bijkomstige rol op het
slagveld. De belangrijkste functie was die van de generaal van de artillerie, die
over een ruime technische kennis moest beschikken. Slechts een klein deel van het
personeel van de artillerie was in vaste dienst. Ook hier werden de meesten aangenomen
voor het begin van een veldtocht.
Alle paarden, wagens, geleiders en ander materiaal werden gehuurd. De pioniers,
de mineurs en het burgwezen vielen ook onder het bevel van de generaal van de artillerie.
Alle hulpdiensten van technische aard en de grote trein vielen dus onder zijn bevel als
artillerietrein. De trein van de levensmiddelen of vivres vormde een trein op zich. De trein
was in drie delen gesplitst, elk onder een commies. Per 50 wagens behoorde er een conducteur te
paard en per 25 wagens een conducteur te voet. Verder behoorden nog tot het personeel: twee wielmakers,
twee hoefsmeden met knechten en een chirurgijn. Het geheel stond onder het bevel van de wagenmeester.
|