De samenstelling van het Spaanse leger

De plaatselijke kleine gevechten, de veldslagen en de massa-maneuvers uit de zestiende eeuw zorgden ervoor dat er verschillende types soldaten nodig waren. De hertog van Alva stelde voortdurend dat een aantal ervaren manschappen onontbeerlijk was, wilde er in de Lage Landen succes geboekt worden. Hij vond het onmogelijk gevechtshandelingen met andere manschappen uit te voeren, tenzij het op een geregelde veldslag uitliep, waarin formaties in hun geheel aan de strijd deelnamen.

Alle soorten troepen konden volgens hem aan een veldslag deelnemen, maar er waren geoefende veteranen nodig om te zegevieren. Wanneer er in 1600 actief moest worden opgetreden, was een uiterst flexibele tactische organisaties vereist. In het Vlaamse leger werd een strijdmacht gevormd van de meest ervaren compagnies van de verschillende naties, indien er meer dan één compagnie nodig was. De strijdmacht was samengesteld uit Spaanse, Duitse, Waalse, Italiaanse, Bourgondische, Ierse en Engelse troepen. Er kon een heterogene en toch een uiterst geoefende strijdmacht van 1000 tot 3000 man bijeengebracht worden. De Waalse musketiers stonden bekend als beste scherpschutters, de Duitsers waren het betrouwbaarst in tegenspoed en de Spanjaarden hadden de naam evenwichtige mengeling, die uitermate geschikt bleek voor het ongeregelde karakter van de oorlog in de Nederlanden.