|
De Spaanse infanterie
De infanterie, die aangeworven werd onder de galeiboeven, de vagebonden en
de avonturiers en onderworpen was aan een onverbiddelijke tucht was gedurende
de eerste 2/3 van de 15e eeuw de beste van Europa. In de Nederlanden heeft
Karel V Waalse en Vlaamse benden tegen hoge prijs aangeworven en ze op de
Spaanse manier gedrild. De Spaanse infanterie was tijdens de tachtigjarige
oorlog onderverdeeld in tercios. Deze bestonden uit ongeveer een twaalftal
compagnies. Elke tercio had een stafelement.
Een Spaanse compagnie in Vlaanderen in 1600 bestond in theorie uit 250 man.
De compagnies konden op twee manieren samengesteld zijn. De eerste groepering
bestond uit 11 officieren, 219 piekeniers, waarvan de helft een borstpantser
droeg, en 20 musketiers. De tweede methode leverde een samenstelling op van
11 officieren, 224 haakbusschutters en 15 musketiers. Voor elk tiental compagnies
piekeniers, moesten er 2 compagnies haakbusschutters zijn. Een tercio bestond met
andere woorden meestal uit een tiental compagnies piekeniers en 2 compagnies
haakbusschutters. In praktijk bestond een compagnie slechts uit een 100 à 150
man, wegens een schrijnend tekort aan manschappen.
Volgens Van de Essen bestond een compagnie uit 120 à 160 man, waarvan 80
piekeniers en 40 haakbusschutters. Soms was het aantal officieren groter dan
de hoeveelheid soldaten.
|