Het terugslaan van de Spaanse charge

Na de verplaatsing in de duinen stuurde de Aartshertog een vijfhonderdtal infanteristen naar voren om de eerste duinen in te nemen. Het Staatse leger was veel sterker en het merendeel vluchtte of gaf zich over.

Carnero haalde aan hoe moeilijk de strijd was voor de Spaanse troepen: "De eerste 600 vielen de vijand van voren aan om de eerste duin te veroveren. Dit ging niet zonder een grote inspanning te leveren, want door de zanderige ondergrond en de steile helling zakten ze tot halfweg hun benen weg terwijl de vijand van boven bleef terugvechten. Maar dankzij hun moed beklommen ze de duin toch en veroverden deze, waarbij ze veel vijanden de keel oversneden. De Admiraal, samen met de in opstand gekomen cavalerie en nog twee andere, viel aan vanaf de kustkant. Eenmaal ze echter ontdekt waren, antwoordde de vijand met zijn 7 artilleriestukken die deze strook moesten beschermen. Deze brachten zo veel schade toe dat ze zich ongeordend terugtrokken naar de plaats waar de infanterie zich bevond zonder dat de Admiraal hen kon tegenhouden. Ondertussen streed de infanterie die de eerste duin had veroverd moedig verder om de grote duin te veroveren waar de vijf artilleriestukken zich bevonden. Maar omdat die duin groter was en bezet door meer en betere mensen was de inspanning vergeefs omdat de strijd ongelijk was gezien het aantal. Er waren dubbel zoveel vijanden. De Katholieken hadden overigens geen vaste grond. De zon stond op haar hoogst en er was geen zuchtje wind in de duinen waardoor velen benauwd neervielen, door de hitte en de vermoeidheid".

De strijd werd het meest gedetailleerd uitgeschreven door Duyck. In aanvulling met de memoires van sir Francis Vere zal ik trachten de hoogtepunten van de slag zo compleet mogelijk weer te geven.

Volgens Duyck duurde het enkele momenten vooraleer de slag werd verdergezet na de verplaatsing in de duinen: "De beide legers bleven lange tijd in dezelfde positie staan. Op den duur drong de vijand meer en maar aan, waarop het leger van de Prins met geschut reageerde. De vijand schoot terug met vijf halve kanonnen en één veldstuk dat op het strand stond. Ondertussen kwam het volk van de Aartshertog door de duinen aan. De Prins nam onmiddellijk een deel van de musketiers van de wacht om het gevecht te beginnen. Het leger van de Prins stond toen in een andere orde. Hijzelf stond met de volledige cavalerie verdeeld in achttien troepen over de duinen op het vlakke veld. De voorwacht te voet bestond uit 43 vendels knechten, opgesteld in negen bataljons. Deze waren zeer sterk. De Bataille was niet zo sterk en had slechts 26 vendels knechten, verdeeld in vier bataljons: De Fransen in twee groepen en de rest elk in één. De achterwacht stond vooral in de duinen opgesteld, één troep op het strand en twee in de clingen.

Omstreeks halfvier was de vijand zo dicht genaderd, dat niet alleen de musketiers van de wacht in contact waren met de vijand, maar ook in de duinen kwamen beide voorwachten in contact en begonnen dapper met de musketten en roers te schieten. De slag begon met een enorm geluid, men hoorde niets anders dan schieten, roepen, trommels en trompetten.

Vere ging wat dieper in op de eerste contactname met het Spaanse voetvolk: "De vijand kwam met haakbusschutters naar de heuveltop en beschoot ons, terwijl ze onze speerpunt naderde. Vijfhonderd Spanjaarden, piekeniers en schutters, onder groot geschut, vermengden zich in wanorde. Ze naderden mijn standplaats en vochten een half uur lang. Het gros bleef uit het bereik van mijn geschut aan de andere zijde van de duinpanne. Terzelfder tijd kwamen hun paarden vooruit langs de groene weg tussen de polders en de duinen in de richting van onze cavalerie die meer achterwaarts tegen onze flank opgesteld was. Onze twee stukken geschut, op de top van de heuvel, werden met goed resultaat afgevuurd. Ze naderden nu op onze rechterflank. De 500 Friese musketiers bestookten hen nu met kogels, wat meteen hun opmars stuitte.

Duyck vervolgde: "De Prins zag dat het voetvolk met elkaar in contact kwam en dat het hoogtijd was om met de cavalerie te komen opdraven. Eerst liet hij Graaf Lodewijck met drie vanen ruiters, die van hemzelf en van Graaf Hendrick, de vijandelijke cavalerie aanvallen. Daarna volgde Marcel Bax met zijn vaan en die van Paul Bax en La Sale. Hun aanval was zo dapper dat de meeste ruiters van de vijandelijke voorwacht op de vlucht sloegen. Marcel Bax, met zijn vaan, en de ruiters Paul Bax vervolgden zelfs een groep vijandelijke ruiters tot de poort van Nieuwpoort. Graaf Lodewijck vermaakte zich op het veld en keerde terug met de ruiters van La Sale. Bax bracht zijn ruiters terug op orde en kwam op het veld bij de Prins, die ondertussen de ruiters van Graaf Frederick in aanval stuurde. De ruiters chargeerden met overmacht".

Sir Francis Vere prees de cavalerie en ging verder met de slag: "Onze cavalerie bracht de vijand meteen in een ordeloze terugtocht. De cavalerie volgde hen op die terugtocht waar ze gedwongen werden tot de overgave. Op het zelfde ogenblik gaf ik het bevel dat honderd man uit de duinen de linkerflank van de vijand zouden aanvallen zodra zij door het zand ons wilden bereiken. Wanneer ze dicht genoeg waren, zond ik vijftig man op hen af. Dit verbaasde de vijand, die met grote verliezen terugtrok. In de laagte kwamen ze nu bij het gros van hun stoottroepen. Ze werden verstrooid door vijftig andere op hen afgestuurde manschappen. Ik stuurde nieuwe troepen naar die plaats waar de honderd man weggetrokken waren, met het bevel die plaats te houden. Het werd een bloedige botsing. Er was geen bescherming tegen ons geschut dat hen voortdurend aanviel. Ook onze strijders zochten hun heil op de zijde van de heuvel. Zo kwamen ze tot een man tegen man gevecht met de vijand. De aanval werd teruggeslagen met vele verliezen aan beide zijden. De vijand koos voor de terugkeer.

Op dat ogenblik kwam het voetvolk van de vijand voor het gros van onze stoottroepen te staan die de rechterzijde van de duinen in het bezit gekregen had. De strijd werd gesteund door ons geschut. De vijand stuurde versterking. Onze troepen trokken zich terug. Ik stuurde opnieuw meer versterking naar die plaats, zodat het voortdurend een gaan en keren werd. De strijd werd steeds met nieuwe aanvoer langs beide zijden gestreden. Niettegenstaande de verliezen bleef ik volhouden. De plaats bood me vele voordelen op hun leger, waar de verliezen nog groter waren. Mijn bedoeling was hun volle kracht in de strijd te betrekken tegen mijn klein aantal. Op die manier spaarde ik onze troepen en vermoeide steeds meer de tegenstanders".

Duyck bevestigde dat de voorwacht onder Vere sterker was: "Het voetvolk vocht in de duinen met musketten, roers en pieken, gepaard gaande met verschrikkelijk getier en bleken de overmacht te hebben. De voorwacht van de Prins was duidelijk sterker. De Prins liet toch nog drie vanen haakbeschutters, die van Parier, Batenberch en Conteler, aanvallen onder leiding van ritmeester du Bois. In plaats van zich te forceren, zwenkten ze en wendden zich af. Ze schoten met de langer roers van de zijkant op twee vanen van de vijandelijke lansiers, zodat hun flank ingedrukt werd en ze op de vlucht sloegen. Staekenbrouck, Graaf Lodewijck en Graaf Frederick kregen de opdracht opnieuw aan te vallen. Balen bleef met drie vanen achter als reserve".

De ontmoeting tussen de cavalerie van beide partijen werd door Vere genoteerd: "De cavalerie had elkaar ontmoet. Onze hoger vermelde Friese musketiers konden hen niet helpen. Onze cavalerie werd gedwongen zich terug te trekken. Onze kanonnen waren zo bijna bereikbaar geworden voor de vijand en dit bleek hun doel te zijn. Op dat ogenblik vuurden we al wat in onze mogelijkheid was. Hieruit volgde dat de Friese musketiers nu hun doel werden. De musketiers bleven zonder schrik recht staan om te vuren. De cavalerie meed hen en trok zich terug buiten het bereik van de kogels. Het was een uitzonderlijk gevecht, want in de meeste gevechten hangt het succes af van de cavalerie en niet van het voetvolk. Hier was het voorlopig omgekeerd. Ondertussen duurde de strijd voort zonder onderbreking. Steeds werden verse troepen in de strijd geworpen, totdat de Engelsen betrokken waren in handgevechten in de voorziene duinpanne. De vijandelijke gelederen werden uitgedund. Dit was het moment om de vijand een laatste dodelijke stoot toe te dienen. Het gros van zijn leger was verspreid. Hun enige kracht lag nu bij de verspreide manschappen. De ruiters die een aanval in de duinpanne uitvoerden, gevolgd door het voetvolk, zouden hen nog verder uiteendrijven".

Duyck schreef dat de Spanjaarden hun bataille inzetten tegen de voorhoede om zich te redden: "De voorwacht van de Prins, waaronder enorm veel Engelsen, vochten heel sterk tot dat de vijand zag dat hun eigen voorwacht te zwak was en hun Bataille, die heel sterk was, aanbracht. Het volk van de Bataille was pas aangekomen en vochten zeer hard tegen de voorwacht, zodat er een enorme wanorde onder de troepen werd gebracht".

Het sterker worden van de vijand werd door Vere opgemerkt: "Aan de andere zijde groeide hun aantal aan. Ik stuurde daar het Friese voetvolk in de aanval, terwijl ik Graaf Maurits op de hoogte bracht van de toestand. Ik vroeg hem om meer cavalerie te sturen, omdat de druk op mijn leger steeds groter werd. Ik stuurde de ene bode na de andere. Om onze troepen wat moed te geven, ging ik in de duinpanne tussen hen in staan. Op en neer rijdend was ik in hun ogen kapitein en soldaat, wat de vijand meteen ook meer verbetenheid gaf".

Sir Francis Vere geraakte echter gewond tijdens de slag. Volgens Duyck reed Vere onmiddellijk weg, nadat hij voor de eerste maal werd getroffen, om zich te laten verzorgen. Vere zou zich gedurende de rest van de slag hebben schuil gehouden in een schip dat op het droge lag: "Tijdens dit gevecht werd Generaal Vere gekwetst door een schot en reed weg om zich te laten verzorgen. Aan het einde van de haven lag een schip op het droge. De heer Vere zocht, mogelijk door de wanhopige balans van het gevecht, een schuilplaats in dit schip. De ritmeester Gent, die reeds vroegtijdig gekwetst was kwam, samen met vele anderen, eveneens in het schip. Het liep zo vol dat er niemand meer bij kon".

Vere zelf stelde zich in een beter daglicht en schreef dat hij moedig verder de strijd aanging: "Bij mijn eerste contact kreeg ik een schot in mijn been. Een kwartier later gebeurde nagenoeg hetzelfde, op dezelfde plaats. Ik dacht er niet aan om het strijdperk te verlaten en een geneesheer op te zoeken en zo mijn troepen de moed te ontnemen. Steeds hoopte ik op de komst van de gevraagde Friezen en paarden. Mijn troepen, ondanks alle inzet, trokken terug naar het kanon, gevolgd door de vijand. Ik zag hen allen terugtrekken, terwijl mijn paard onder me doodviel en mijn been eronder gekneld zat. Er was niemand om me te helpen. Met enig geluk kwam Sir Robert Drury, dienaar van Higham, als gentleman me ter hulp. Hij haalde me onderuit het paard en plaatste me op zijn paard. Het was juist op tijd. De vijand was nabij en ik kon net uit hun handen blijven.

Ik werd naar de geschutsstelling gevoerd en vond er mijn broer Horace, de officieren en 300 man voetvolk. Ik deed hen weggaan van het geschut. Het geschut liet ik afvuren op de vijand die nu het zand opzwermde. Op dit moment kwam mijn eigen cavalerie met kapitein Balls dichterbij. Ik wilde hen ook bij de aanval betrekken. Mijn broer volgde met het voetvolk. Dit klein groepje van voetvolk en paarden bracht grote wijzigingen. Zij volgden de vijand in de hoop op een overwinning. Op het zand waren de paarden op hun terrein en de vijand koos de vlucht als enige oplossing. De strijd begon minder hevig te worden. Ons volk had op de heuveltop haar plaats behouden sinds het begin van de slag. Hierdoor werd de vijand onder schot gehouden. Onze Engelsen kregen de moed om verder te strijden en wij hielden de vijand op afstand met ons geschut. De vijand koos opnieuw de aftocht. Graaf Maurits die dit zag, deed de strijd oplaaien. Zijn cavalerie stortte zich op de vijand in en deze werd meteen de vlakte ingejaagd. In deze laatste aanval volgde ik niet, wetende dat mijn richtlijnen zouden uitgevoerd worden. Ik kon gemakkelijk oordelen dat de taak van die dag tot een goed einde was gekomen. Het was tijd om aan mezelf te denken. Voortdurend lekte het bloed uit me langs de wonden. Ik was zwak geworden en verloor het bewustzijn".

Vere beschreef het einde van de slag alsof de Spaanse troepen zich snel gewonnen gaven, maar Duyck dacht er anders over: "Tijdens dit gevecht werd Generaal Vere gekwetst door een schot en reed weg om zich te laten verzorgen. Kolonel Horatio Vere zag deze wanorde. Hij kreeg luitenant-kolonel Sutton, kapitein Ogle, kapitein Lauwers en kapitein Farfax bij hem en bracht met hun hulp 6 à 700 man uit de Engelse troepen opnieuw in orde. Met deze mannen viel hij wonderlijk de grootste troep van de Bataille aan. Het was een sterke troep en bestond uit meer dan 2000 man. Horatio vocht zo grootmoedig dat de vijand hem gemakkelijk kon breken of doen keren. De Prins zag dat de hoop hem te groot en te zwaar was en stuurde daarna enkele compagnies ruiters in de flank om Horatio te steunen. Zij brachten wel enige wanorde in een deel van de sterke troepen, maar de rest bleef samen met de voorwacht de Engelsen en de Friezen te machtig. Daarom liet de Prins ook zijn Bataille naderen en het regiment van de Walen oprukken om Horatio te versterken. Ze vielen goed aan en behielden de orde. Toen ze aankwamen, de troep van kolonel Horatio was gebroken, begon een deel van de voorwacht zich terug te trekken en de overmacht te verliezen. Terwijl de Prins met zijn ruiters de vijandelijke ruiters verspreid aanviel, beval hij de Zwitsers de Walen te ondersteunen en de Fransen in twee troepen te laten komen om de vijand telkens nieuw werk te geven. De nieuwe troepen waren fris, maar de voorwacht, die het meest moe en gebroken was, kon de vijand niet doen wijken. Het bataljon Engelsen, dat op strand oorspronkelijk sterke weerstand bood aan het geschut van de vijand, kreeg nog een nieuwe vijandelijke troep voetvolk, ondersteund met enkele ruiters, tegen zich. Het bataljon werd doorbroken en moest wijken.

De vijand begon voordeel te krijgen in de duinen. Ze veroverden duin na duin, tot ze ten slotte ook wanorde brachten in de Bataille van de Prins. Toen de Prins dit zag, liet hij zijn ruiters alle vijandelijke ruiters aanvallen waardoor de meesten op de vlucht waren gebracht. Enkel de vanen van de reserve stonden nog goed opgesteld. De Prins liet ze komen en ze kregen de opdracht om samen met de achterwacht in aanval te gaan. Ondertussen kon de Prins enige orde scheppen in zijn cavalerie. Hij smeekte en verzocht zijn mannen biddend de orde te willen bewaren, terwijl er toch geen andere uitweg was dan te winnen, te sterven of te verdrinken. Terzelfder tijd werd de wagenmeester geschoten en al de wagens op het strand begonnen verward door elkaar te rijden. De bestuurders van de karren en het gevolg van het leger liepen zodanig diep in de zee dat velen verdronken.

De troepen van de achterwacht vochten met een ordelijke opstelling en konden op die manier de macht van de Bataille van de vijand wat onderdrukken. Toen de vijand zijn achterwacht naar voren bracht en de Aartshertog met al zijn voetvolk tegelijk met een uitnemende moed dapper aanviel, begon het voetvolk van de Prins opnieuw te wijken, zowel in de duinen, als in de clingen. Een vijandelijke troep drong zelfs zo diep door op het strand, om een poging te ondernemen een kanon van de Prins te overmeesteren. Er waren zo weinig troepen van de Prins die er probeerden tegenin te gaan, dat het scheen dat alle zaken verloren zouden gaan. Temeer daar de Prins zijn cavalerie niet opnieuw in orde had kunnen brengen. Het kwam zelfs zover dat de vijand meester zou worden van het kanon van de Prins.

De Prins leek angstig op het veld rond te lopen, te roepen, te smeken en te bidden dat iedereen de wanhoop van zijn meester zou bijstaan en liever vechtend zou sterven, dan te verdrinken en te versmoren. Volgens hem was het gevecht nog niet wanhopig. Zo kreeg hij enkele ruiters in orde opgesteld en zond ze ten aanval, samen met de drie laatste reservanen onder het bevel van Balen, op het vijandelijk voetvolk. De vaandels verdeelden zich zodanig dat Balen de aanval zou leiden op het strand, Horatio in de clingen en de vaan van Cicil in de duinen. Deze laatste kwam recht op de duinen toen de vijand heel dicht bij het geschut stond. De vijand werd beschoten en verliet het geschut. Balen liet de paarden rustig door de duinen rijden, om het wat te sparen. Eens op het strand viel hij met een furie het voetvolk van de vijand, die toen alleen was, aan. De vijandelijke musketiers schoten weinig, omdat ze de meeste schoten gelost hadden op de Engelsen die nu voor hen uitweken. De vijand sloeg op de vlucht. Velen werden doodgeslagen of gevangen genomen. De ruiters van Cicil vielen de vijand in de duinen aan, die van Vere wierpen een heel bataljon omver in de clingen.

Deze gebeurtenissen brachten veranderingen met zich mee. De Engelsen en de Friezen, die langs de duinen weken, begonnen opnieuw te staan en het hoofd te bieden. Ongeveer 150 piekeniers van de Friezen vielen aan en deden de vijand de duinen verlaten. Daarop begonnen eerst de "bootgesellen" en de kanonniers bij het geschut te roepen: "Val aan! Val aan!". De anderen riepen "Victorie, Victorie". Hierdoor werd het krijgsvolk van de Prins aangespoord en begonnen ze dapper de vijand terug te dringen. Het kwam zelfs zo ver dat de troep ruiters, die de vijand blijkbaar als reserve achterhield in de duinen, op de vlucht deden slaan. Toen de Prins dit zag stuurde hij kleine troepen ruiters, die hij op orde had kunnen stellen, naar het vijandelijke voetvolk. Ze vielen aan in de flank zodat het voetvolk op de vlucht sloeg.

De nederlaag van de Spaanse troepen werd in het kort beschreven door Carnero: "Maar ze streden hardnekkig en gedurende een uur leek het erop dat de overwinningssignaal zou weerklinken, want per 10 gedode katholieken vielen er 30 vijanden, die echter frisser aan de strijd begonnen. Hierdoor duurde de strijd een hele tijd en leek het erop dat de overwinning, al bleef het twijfelachtig, voor de Katholieken zou zijn, want met grote moed hadden de Spanjaarden al twee artilleriestukken afgenomen en op de vijand gericht. Maar de cavalerie van Pedro Gallego werd aangevallen door 600 gepantserde Fransen die in een hinderlaag lagen achter een duin, en overwonnen waarna ze ongeordend op een infanterie-eskader botsen en dat eskader braken. Hierdoor moesten zij die boven op de duin aan het vechten waren zich terugtrekken. De vijand ging hen tegemoet in een geordend eskader en trof hen ongeordend, vermoeid en onder het zweet en bloed waardoor het niet moeilijk was het te overwinnen, gezien het grote voordeel. Ze waren niet alleen met meer, maar vochten ook met geordende eskaders die bestonden uit frisse soldaten die nog niet hadden moeten vechten tegen diegenen die al gewond of moe waren. De Aartshertog verscheen overal samen met enkele heren met het zwaard in de hand, om de enen moed in te spreken, de anderen aan te sporen. Toch was het onmogelijk de paarden van de 600 gepantserde mannen die door elkaar wegvluchtten tegen te houden. Zoals gezegd liep de Aartshertog te midden het strijdveld om zijn mensen aan te moedigen, en in al zijn bezetenheid en woede bevond hij zich tussen vijandige troepen en iemand wou hem raken aan het hoofd dat hij niet beschermd had. Don Diego Mexia, zoon van de Graaf van Uçeda die nu Kampmeester is van de Spaanse infanterie en Heer van de Kamer, was die dag mee als gezelschapsheer en hield de slag tegen met zijn zwaard, net zoals Don Gaston Espinola, Graaf van Bruay. Net op tijd zodat niets gebeurde, ook al werd de Aartshertog licht gewond aan het oor. Gezien de wanorde, leek het de Aartshertog dat verder vechten geen zin had en beval daarom zijn mensen zich terug te trekken".

De overwinning was voor de Prins. De slag heeft van half vier tot na zeven uur geduurd. De vluchtende vijand werd nog vervolgd langs de duinen door het volk van de Prins.