|
Musketiers
Het wapen kreeg wellicht de naam musket door de vogelkopvormige haan. Zowel
langs de Spaanse zijde als langs de Nederlandse zijde stonden de musketiers
altijd dicht in de buurt van hun piekeniers. Samen combineerden ze het vuur
en de schok. De musketiers waren minder beweeglijk dan de schutters en moesten
daarom in de nabijheid van de piekeniers blijven. De piekeniers konden dekking
geven aan de musketiers wanneer ze hun musket moesten herladen of indien er iets
fout liep. Het musket was een traag wapen en niet eenvoudig te hanteren. Om het
wapen te bedienen moest de musketier 28 handelingen uitvoeren, wat enkele minuten
in beslag nam. Ondertussen dienden de piekeniers voor hen op te komen. Het musket
woog ongeveer negen kilo en er kon slechts nauwkeurig afgevuurd worden wanneer het
op een vorkvormige steun rustte.
Iedere musketier moest zijn eigen ladingen buskruit, een eigen kruishoorn met
fijn poeder, een lang stuk langzaam brandend lont en iets om het lont aan te steken,
een stuk lood en een gietvorm om kogels te kunnen maken bij zich hebben. Een musketier
moest immers zelf voor zijn kogels zorgen. Een gevolg van de omslachtige wijze van
herladen was, dat de musketier zich moest terugtrekken om rustig te kunnen laden.
Dit gaf aan het vuurgevecht een eigenaardig beweeglijk karakter. Wanneer de loop
nauwkeurig gericht werd, kon de musketkogel, die soms een doorsnede van 3 cm of meer
had, een tegenstander tot op een afstand van 400 m doden.
Het ging wel dikwijls mis met het musket. Te weinig kruit deed de kogel te dichtbij
neerkomen. Te veel kruit liet de loop ontploffen in het gezicht van de musketiers. Zelfs
indien de hoofdlading goed was, kon het kruit nog altijd in de pan exploderen zonder dat
het kruit in de loop tot ontbranding kwam. Het gebeurde ook dat de kogel reeds vooraan uit
de loop rolde, nog voor de onachtzame musketiers afvuurde. De loop diende namelijk opgestopt
te worden met papier, gras of iets dergelijks, maar dit werd dikwijls vergeten tijdens het
gevecht. Het meest voorkomende probleem was dat het lont op het kritieke moment uitdoofde.
Dit kwam veel voor wanneer het regende. Dit maakte de musketier weerloos.
|