|
De handvuurwapens van de cavalerie
De handvuurwapens van de cavalerie bestonden uit pistolen, korte en lange roers.
Het onderscheid tussenbeiden was moeilijk te bepalen. De lengte van de wapens varieerde
van één voet bij de pistolen tot drie voet bij de lange roers. Alle ruiterwapens waren
voorzien van rad- of snaphaansloten, die het voordeel verleenden dat het wapen na het
laden steeds voor onmiddellijk gebruik gereed was. Bij het lontslot daarentegen moest
op het laatste moment nog de lont opgezet worden. De ruiters verschenen dan ook snel
met twee of meerdere pistolen met radsloten te velde in de plaats van hun lans.
Deze ruiters werden de kurassiers genoemd.
Nadat de schoten waren gelost, moest de kurassier ofwel zijn zwaard trekken,
ofwel een veilige plaats zoeken achteraan om opnieuw te laden. De bereden
haakbusschutters of dragonders maakten enkel gebruik van het paard als zuiver
vervoermiddel. Het gevecht voerden zij te voet uit. Door het invoeren van de
radsloten werd het gebruik van vuurwapens bij de cavalerie mogelijk gemaakt.
Het snaphaanslot bracht niet alleen voordelen met zich mee. Indien er iets
gebroken was kon dit enkel door een vakman gerepareerd worden, wat tot hogere
kosten leidde. Het mechanisme was ingewikkeld en werkte minder zeker. Het onderhoud
van de wapen diende met enorme zorg te gebeuren. Indien het slot nat of vuil was,
moest het geheel uit elkaar worden genomen.
|