Kandidaat-heks moesten aan de 3 voorwaarden voldoen:

1. Ze moest een duivelsteken of stigma diabolicum hebben,
2. ze moest geslachtelijke omgang hebben gehad met de Boze (Duivel) op de sabbat,
3. ze moest kwaad hebben aangericht.
Indien ze "voldeed" werd ze gevonnisd met de vuurdood, al dan niet levend uit te voeren. Van onze 17 heksen werd er slechts één gewurgd voor haar verbranding, namelijk Tanneke de Potter (1652). Haar compane Mayken Tooris werd die zelfde dag nog levend verbrand.

Een heksenonderzoek kon starten op basis van 6 mogelijkheden:
1. door een klacht,
2. de "roep" hebben te zijn,
3. als doorgaande waarheid,
4. door verklikking van een medeheks,
5. door verzet van gedupeerde tegen aanbrenger
6. door zich "ter purge" te stellen.
Bij deze laatste mogelijkheid gaf de "verdachte" zichzelf aan en liet zich "vrijelijk gevangen zetten met de vraag om bij vonnis officieel vrijgesproken te worden van ketterij of hekserij". Na deze "aanhouding" volgen 3 zondagen van kerkgeboden waarbij men in de kerk de klachten aanhoord tegen de ter purge gegane persoon. Kwam er iemand of waren de aanklachten te licht bevonden dan verklaarde de rechtbank de verdachte voor "eeuwig" van hekserij gezuiverd en werd hij/zij uit de gevangenis ontslagen. Deze procedure liep niet steeds goed af, zoals voor Jan de Munck die afkomstig uit Hooglede zich ter purge liet stellen in Nieuwpoort op 15 juli 1605 en er op 20 augustus verbrand werd. De meeste processen verliepen volgens het gewoonterecht met inbouw van de richtlijnen uitgaande van de Heksenkamer. Een weerspannige of grote heks kreeg een afwijkende behandeling, zoals het bij Jeanne Panne het geval was. Hierbij waren de rechters en ondervragers vrijer in hun doen en laten om de waarheid te bekomen. Zij werden hierin gesteund door de demonologie die erg in zwang was. Wie waren nu die heksen/tovenaars voor en na het geval Jeanne Panne?