Van ludieke carnavalsstoet tot koninklijk gewaardeerde cultuurhistorische evocatie: een evolutie in drie fase

Het huidige niveau, voor stoet en toneel, werd bereikt door veel inspanningen en verliep in drie grote fasen: de carnavalsfase (1956-1970), de legendefase (1972-1985) en de cultuurhistorische fase (1988-...).

De Carnavalsfase of de eerste dertien stoeten (1956-1970)

In het expojaar 1958 rent de eerste kleine heksenstoet, op een half uurtje tijd, van zijn start (L'Yser) naar zijn eindpunt (Coupe gorge, de Witte Brigadelaan). Het was de start van een jaarlijkse en succesvolle reeks die steeds groeide rond het thema "Jeanne Panne, de heks van Nieuwpoort". Dr. Godgaf Dalle laat het toenmalige comité weten dat Jeanne Panne een echte Nieuwpoortse was en geen folklore. Hij vond in dit alles een reden om dit te consolideren voor het nageslacht onder de vorm van een geschreven werkje "Jeanne Panne, de heks van Nieuwpoort". Dit boekje, uitgegeven bij de Dienst voor Toerisme en Cultuur van Nieuwpoort, is een basiswerk waar niemand om heen kan. De eerste dertien stoeten grepen plaats op de 1ste zondag na aswoensdag en waren jaarlijks. De 12de editie week er van af (een maand later gepland). Vanwaar kwam dit idee, daar de stichter, Werhter Pelgrim, geen Nieuwpoortenaar was? De oorsprong groeide uit de vroegere Nieuwpoortse Bonte Avonden met als spil wijlen de heer Andre Cordenier. Op die avonden hekelde men de politieke toestanden en het zwarte schaap was Jeanne Panne. Nu men zeker was dat deze heks een reële figuur was, vond men dat een jaarlijks terugkerend toneelstuk, over haar proces, van doen was. Zo ontstond de eerste versie van het heksenproces onder scriptie en regie van Willy Vermote. In het stuk werden de klachten aangebracht zoals die door overlevering gekend waren. Analyse van deze stukken bracht al snel aan het licht dat het om een mengeling ging van haar proces en de andere heksenprocessen. Vandaar dat de term heks der heksen meer dan één bodem heeft. De eerste opvoeringen gebeurden in open lucht op het marktplein juist voor de verbranding. Als je dan weet dat de stoeten in februari uittrokken, dan snap je gauw dat koude een probleem vormde voor de toehoorders. De verbranding verliep geheel anders dan nu. Er werd een strooien pop, in het begin (tot 1963) gezeten op een bezem, in brand gestoken waarna de heksen rond de brandstapel dansten; de avond werd afgerond met een groot bal. De markt was te koud bevonden en het toneelstuk verhuisde naar de stadshalle. In dit onvergetelijk kader werd het stuk voor volle zalen, daags voor de stoet, opgevoerd, waarna de heks ontsnapte. De zondagochtend werd ze opgespoord met de enthousiaste hulp van de jeugd en werd gevangen gezet. De gestadige groei van de feestelijkheden vergde een betere organisatie en was de aanleiding tot het oprichten van de Heksenorde in 1963. De leden hiervan waren de verantwoordelijken van de V.H.N. (Verenigde Handelaren Nieuwpoort). De stichtende leden van het eerste uur waren: Werther Pelgrim, Jacques Deryckere, Raymond Deryckere, Andre Delacauw, Louis Reunbrouck, Albert Sesier, Roger Jansseune, Wilfried Huysentruyt, Emmanuel Verhulst, Maurice Van Elk, Louis Minne en August Legein. De heksenorde kent vanaf de jaren 1968 twee soorten leden: enerzijds de actieve leden die een geel lint met zwarte middenbaan droegen anderzijds de verdienstelijke leden die een tweebanig lint, geel/zwart, voeren. Geel en zwart zijnde de kleuren van Nieuwpoort. De daaraan bevestigde medaille was voor beiden dezelfde en bestaat in het goud, het zilver en het brons. De tiende editie werd, vanop de stadshalle, gevierd met een afsluitend prachtig vuurwerk dat een vast onderdeel was tot 1969. Dat jaar liep het fout. De aangevraagde brandwacht liep haar ronde niet of deed ze in elk geval onzorgvuldig met een uitslaande hallebrand als gevolg en dit enkele uren na de apotheose van de stoet. Even zag het er naar uit dat dit het einde zou betekenen van zowel de stoet als van de familie Pelgrim. De correcte houding en rechtstreekse inmenging van de toenmalige burgemeester F. Gheeraert leidde tot het omgekeerde. Jeanne kon samen met Nieuwpoort, na bange uren en dagen, weer uit haar as verrijzen. Het percentage actieve rechtstreekse deelname, van de Nieuwpoortenaren, aan de stoet bedroeg toen 80 à 90%. Het overgebleven deel extra muros betrof voornamelijk muziekkorpsen. Nieuwpoorts ere-burger wijlen Roger Pieters componeerde in samenwerking met Henri Cogghe de "Heksenmars" dat op singel werd uitgegeven. Naast deze eigenheden werd deze periode ook getypeerd door de heksenbierpotten, met elk jaar een ander motief of kleur, die nu een opmerkelijke collectiewaarde hebben. Een leuke anekdote, die nog steeds bewaarheid werd, en tot een vorm van lokaal bijgeloof leidt: "Het regent niet op Jeannes feestdag!". Het meest sprekende voorbeeld hiervan is deze van de 1963. Met een bevroren zee rijk aan ijsschotsen, geïsoleerde Vlaamse dorpen en gehuchten en spekgladde wegen mocht men wel van een extreme harde winter spreken. Men wou het parcour van de stoet niet sneeuw of ijs vrijmaken daar zout bij dergelijke temperaturen geen nut had en zand de riolen ging verstoppen. De donderdag voor de stoet begon het voorzichtig te dooien en geloof ons of niet maar de zondag lag het ganse parcour er droog en sneeuw-ijsvrij bij, en dit terwijl het nog weelderig in de aanpalende lag. Dit was weer eens een heksentoer van formaat.

De legendefase of de stoeten 14 tot en met 20 (1972-1985)

In 1970 veranderde, om statutaire redenen, het voorzitterschap: de heer Werther Pelgrim werd vervangen door Maurice Velle. Deze wissel betekende een éénmalig onderbreking (1971) van de jaarlijkse stoetenreeks, welke door de Chirojeugd van Nieuwpoort ludiek werd opgevangen met de begrafenis van Jeanne Panne, maar hier hadden ze het mis. De voorzitterswissel luidde ook de 2de fase in van onze stoetevolutie. De carnavalsstoet was uitgegroeid tot een legendestoet met een link naar de visserij en werd elke twee jaar gehouden werd. De datum van de stoet veranderde in de 3de zondag van mei (Jeanne werd trouwens verbrand op 16 mei 1650). Door het samenvallen van deze zondag met plechtige communies bleek deze datum niet zo ideaal te zijn. Een bijkomende verandering was het gebruik maken van een beroepsstoetenbouwer Frans Vroman. Deze formule blijft werkzaam tot en met de 19de editie in 1982. Het toneelstuk, nog steeds gebaseerd op de legenden rond Jeanne Panne, krijgt een face lift onder sciptie en regie van Joseph Joris en verhuisde naar het paviljoentje. Later werd de regie overgenomen door Antoon Verleye. Er werd geëxperimenteerd met nieuwe modellen van brandstapels. De verkiezingen van de heksenkoningin en prins verdween ook met deze evolutie. Dit volksvermaak werd echter overgenomen door de carnavalsgroep "de heksenjagers", die los en onafhankelijk van het heksencomité actief waren.

De cultuurhistorische fase of de stoeten vanaf de 21ste editie (1988-...)

In 1985 dreigde er geen stoet uit te gaan en zelfs volledig te verdwijnen en dit door de hoge eisen van de stoetenbouwer die onredelijk waren zowel voor de organisatie als voor het stadsbestuur. Er werd een noodplan uitgewerkt die de 3de fase zou inleiden. Een tijdelijke vereniging onder leiding van schepen Willy Vermote, Norbert Vueghs en Werther Pelgrim werd opgericht en organiseerde, namens de stad, de stoet. De datum werd terzelfder tijd aangepast naar de 2de zondag van juli. Deze verandering, uit puur toeristische overweging, bleek een schot in de roos te zijn. Jeanne was weer eens onverwoestbaar. De oplopende kosten nopen de organisatoren om het spectakel driejaarlijks te maken. Het betekende ook de ommezwaai van een legendestoet in een geschiedkundig en wetenschappelijk onderbouwde cultuurhistorische stoet. Het comité had "heksengeluk" dat de nieuwe formule direct aansloeg bij publiek en bij pers. Aan de lay-out en inhoud van het programmaboekje werd deftig gesleuteld zodat het nu door velen gekoesterd wordt als een nuttig naslagwerkje. De pers ontdekte samen met de toeschouwers de humanitaire, sociale, en educatieve meerwaarden van Jeannes levensverhaal. Het klinkt misschien wel wat pretentieus, maar onze heksenfeesten omsluiten een soort klein Koning Bouwdewijnstichtingsideaal in zich. Het toneelstuk werd ontdaan van zijn legende-elementen en herwerkt tot een harde historische reconstructie. Met dezelfde minutieuze gedrevenheid werd haar brandstapel gereconstrueerd als ook de nodige rituelen en bindtechnieken die toen in voege waren. Nieuwpoort beleeft een 17de eeuwse dag in de 20ste en 21ste eeuw. De meerwaarde van deze confrontatie tussen ons huidig mensbeeld en die van toen doet de essentiële vraag rijzen: "Zijn we méér mens geworden in het verloop van die 3 eeuwen of is het enkel onze buitenkant die veranderd is?". We vonden dat het toneelstuk iets ontbrak door haar serieux en daardoor wat te ontoegankelijk werd voor iemand die wat vermaak zocht in dit medium. Het comite gaf daarom opdracht aan Paul Houwen om het stuk professioneel te herwerken zonder afbreuk te doen aan de historische juistheid. Het resultaat was zo goed dat het comité aan Paul Houwen ook de regie-opdracht gaf. De spelers werden geleverd door leden van "Ic Dien" uit Poperinge, aangevuld met lokale vrijwilligers die er steeds torenhoge successen mee boekten. Het stuk benadrukt nog meer de menselijke waarden en uitstraling van Jeannes levensverhaal. Het stuk kreeg als titel mee: "Het proces van Jeanne Panne 15 mei 1650".