Nieuwpoorts sappige dialect

Hieronder volgt een selectie van woorden en gezegden in het “Niepoors” – ze werden geselecteerd uit het “Oostends woordenboek” van Roland Desnerck derde druk 1988. Met deze eerste selectie zou de lezer een gedacht moeten krijgen van de meest voorkomende en specifieke uitspraken van het Typisch Nieuwpoorts taaltje, dat veeleer naar het Oostends neigt.

In Oostduinkerke en in Pervijze hoor je dialecten die al grof verschillend zijn van deze visserstaal. Maar zeggen dat Nieuwpoorts en Oostends gelijk zijn, is dan ook weer te sterk gesteld. Beide streektalen hebben vanzelfsprekend zee-gerelateerde trekjes; in Nieuwpoort worden zowel Engelse als Franse woorden door het sappige "Vlams" gemixt.

  • Akketésse : een vrouw die nogal ruw, sluw en tegendraads is.
     Gezegde : ain, twai, drieje, viere, vuuve, zésse en je moeder is en akketésse.
  • Andjoen (MV : andjoes) : ajuin.
     Gezegde : je zied agetroetled lik en rowe andjoene (lelijk of zeer dik gekleed lopen).
  • Billekarre of kwiestaks : een gocart of trapfiets, zoals er veel op de Zeedijk rond rijden
  • Binnebuk : een onvruchtbare man, introvert persoon.
  • Blaffeteure (MV : blaffeteurn) : vensterluik of oren.
     Gezegde : zét je blaffeteurn oopn (doe je oren open).
  • Broeksjhietr, potsjhietr of benowderik : iemand die zeer bang is; een bangerik.
  • Brokkelkoas : zeer oude kaas
  • Broomés : broodmes
  • Buukepit(je) of naffel of buukenaffel : navel
  • De Bings of Niepoor-Bing : benaming van Nieuwpoort-Bad door de plaatselijke bevolking
     Gezegde : “kgo no de Bings laast de Bassing”: “ik ga naar Nieuwpoort-Bad langs de Havengeul”
  • Diere : duur, hoog van prijs.
     Gezegde : ’t is en diere veugel (hij vraagt veel geld voor wat hij of zij presteert).
  • Djok of stuuk : een flinke por of een duw
     Gezegde : “Pas morrup of jét u djok i je rebm”: “Let maar op, straks krijg je krijg een por in je ribben”
  • Dooln : niet meer goed weten wat je zegt (soms bij mensen die dement worden) of rond dwalen zonder te weten waar je bent
  • Dundern : donderen.
     Gezegde : ’t go dudern (het zal luid gaan, hij of zij zal onder onder zijn/haar voeten krijgen). Ook : ’t go woajn (het zal waaien).
  • Dékzwabber : matroos, stommerik. Ook : kluntn, lootn, siesn, suijn,…
  • Fairtig : veertig.
     Gezegde : Tneeg, tach, tsjeef, tsjést, fuft, fairt, dért, twient,…gebruikte term bij de mondelinge visafslag zoals deze vroeger in de vismijn gebeurde.
  • Flasjhe (MV : Flasjhn) : fles
     Gezegde : je kud ém deur en flasjhe trékn (hij is zeer mager).
  • Foefeln : knoeien, bedriegen (bij spel).
  • Fortzak (MV : fortzakn) : rotzak, smeerlap.
  • Furreln : lopen.
     Gezegde : ksie go furreln (ik ga weg, maar ik weet nog niet waar).
  • Gabbe (MV : gabm) : gapende wonde of vrouwelijk geslachtsorgaan.
     Gezegde : lét mor up, of je krieg dém in je gabbe.
  • Galjaar (MV : galjaars) : deugniet of rakker
     Gezegde : die twai zien échte galjaars (die twee zijn echt schelmen).
  • Gartn, gértn of uut de voetn maakn : uit de weg gaan, uitwijken
  • Genęrn : zich amuseren.
  • Grow : vuil grijs (meestal iemand die zich zeer vuil gemaakt heeft)
     Gezegde : “Wast (wost) mo je nán voo teetn, want (va) ze zie grow”: “was maar je handen vooraleer aan tafel te gaan, ze zijn immers zeer vuil”
  • Gréppe, gréppl of gaskant : een gracht of de graskant
     Gezegde : “né mé se droenke muule in de gréppe gereen”: hij is in dronken toestand in de zijberm terecht gekomen
  • Gérnoare (MV : gérnoars) : garnaal.
     Gezegde : wannair gomme de gérnoars uutdoen, peeln of verleezn? (wanneer gaan we de garnalen pellen?)
  • Hailtied : voortdurend
  • Hankeroare : iemand die hevig verlangt
  • Hemelste of emelste : in zeer erge mate
     Gezegde : “ké emelste zair a me glédder” of “kzie vroed va tzair a me glédder”: “ik heb verschrikkelijk pijn in mijn hoofd”
  • Hoeresjaanse : zeer veel geluk.
  • Hullewupper : flesopener.
  • I gruzzlmentn : in duizend stukken
  • Iengeland : Engeland.
  • In u gowte, rapte of zairte : in een vlucht
     Gezegde : “Tis in u wup en u goaj gedoa”: “het is zeer vlug gegaan” of “voor je het beseft zal het voorbij zijn”
  • Insmoetn of invétn : insmeren, invetten
     Gezegde : smoet mo je kietn (bereid je maar goed voor, het zal zwaar worden).
  • Jiks : ba, boe.
     Gezegde : Jiks, e vliege in me soepe (ba, een vlieg in mijn soep).
  • Jow of jup : hallo of goedendag
     Gezegde : “jup mé je tup”
  • Jukste : jeuk.
     Gezegde : aj jukste hét an je strop, got de butter ofsloan (als je jeuk aan je gat hebt, dan zal de boter goedkope worden.
  • Kajietn : janken, jammeren. Ook : tsjoenkn
  • Kakkernést : benjamin, jongste lieveling Ook : joengstn va de keuns, sjhrapsel van de pot.
  • Kerjeuzeneuze : iemand die heel nieuwsgierig is
  • Kluntn (MV : Kluntns) : sul, onnozelaarOok : kloaj, lootn, loozn, tsjeutn, klutser.
  • Kortgestuuktn : iemand met een gedrukte gestalte en brede schouders.
  • Kovulsje (MV : Kovulsjes) : : stuiptrekkingen.
     Gezegde : De klain is in kovulsje gevôln (de kleine heeft de stuipen gekregen).
  • Kriesjhn : krijsen, wenen.Ook : kriepn, truntn, tsjiepn, blętn.
  • Kruuwer (MV : Kruuwers) : garnaalkruier. Ook : kruujer, kruuger.
  • Kwiel : kwijl.
     Gezegde : : kwieln van de goeste (op iets verkikkerd zijn).
  • Kékgoajn of zaivern : prietpraat of nonsens vertellen
  • Kęldergordiene of truttelap : maandverband
  • Kęlderslékke : een naakte slak die in kelders terug te vinden is
  • Kęze (MV : kęzn) : kers, klap, harde trap tegen een bal, dronken.
     Gezegde : deen was gistern kęze achter twi pientn (hij was gisteren dronken na het drinken van twee pintjes). Ook : smete, neute, gérre, krikke, lam, moordenoars.
  • Laiperik (MV : Laiperikn) : : leperd, leep mens. Ook : laipm.
  • Moat (MV : moatn of moats) : vriend.
  • Moetewérk : verplicht.
     Gezegde : ’t is moetewérk (zij moeten huwen, omdat het meisje zwanger is)
  • Mollejoeng : mollejongen.
     Gezegde : ’t go mollejoeng reegn (het zal zeer hard regenen). Ook : moljoem, moljum.
  • Muule (MV : Muuln) : muil.
     Gezegde : néd e muule lik e besjheetn dékvejster (hij heeft een norse blik). Mé je muule in de vette (op je bek gaan).
  • Nievers : nergens. Ook : nowers, nowerst, nieverstn.
  • Oarmoe : armoede.
     Gezegde : ’t is va oarmoe (het is uit schrik of door een tekort of gebrek aan).
  • Oede fiege : oude kwezel, antipatieke oude vrouw Voor een man : oede (pa)lul.
  • Ofloop : diarree. Ook : dinn, de (vliegnde) spétter, plaagsje.
  • Ogow : weldra.
     Gezegde : : go’j ogow je muule oedn (zwijg nu maar vlug). Ook : agow, ollichte.
  • Ow : halt, stop.
  • Paltoo : : mantel
     Gezegde : Moenk je paltoo wég angn ? (moet ik je mantel weg hangen).
  • Pee (MV : Pees) : peter, grootvader, oude man. Ook : pétte.
  • Pief (MV : neus) : neus
     Gezegde : moej ain up je pief én? (zoek je moeilijkheden?) Ook : Kégge.
  • Plakiester (MV : plakiesters) : mep, slag, oorveeg. Ook : kaksmete, siefa, voenke
  • Pęrdoge (MV : pęrdoogn) : spiegelei.
  • Reekan : telkens, steeds
     Gezegde : ’t is reekan ’t zęste (het is steeds hetzelfde liedje).
  • Rikgroate (MV : rikgroatn) : ruggegraat.
     Gezegde : je rikgroate sjhrapm, je vier kuusjhn of no bachtn goan (naar het toilet gaan). Ook : ruggegroate, rikkebain,
  • Ruttelienge (MV : ruttelieng) : uitbrander, vermaning. Ook : sjhęldienge.
  • Seute (MV : Seuten) : dwaze vrouw
     Gezegde : deen ze wuuf is mor e seute wi (hij heeft een dwaze vrouw hoor). Ook : kalle, fiete.
  • Sjhaif : scheef.
     Gezegde : : ’t zit schaif (er is ruzie).
  • Stroentvint (MV : Stroentvintn) : mannetje van niets.
  • Toartekloaj (MV : toartekloajs) : domme, onnozele kerel.
  • Truttelékker (MV : Truttelékkers) : klein schoothondje.
  • Twids : tweede, ten tweede
     Gezegde : : twids, ’t is verkaird (ten twede, het is verkeerd).
  • Téttienk (MV : Téttieng) : aardworm
  • Uutkomm : het voorjaar.
     Gezegde : ten uutkomm gon’k plakn (in de lente zal ik behangen).
  • Vanęnsnęns : het volledige stuk, van het begin tot het einde.
     Gezegde : bvb ze zien aan 't werken langst de Koaje, 't ligt vanęnsnęns open...
  • Verklindern : verkleinen Ook : verklaizn.
  • Vriespuud (MV : Vriespuudn) : persoon die het altijd koud heeft.
  • Vul zitn : zwanger zijn.
  • Werekairn : terug komen
     Gezegde : de deen moed ook nie werekairn (die heeft tijdens zjin leven veel geluk en vreugde gehad).
  • Wikkelgat (MV : Wikkelgats) : iemand die niet stil kan zitten
     Gezegde : frikkelgat, frikkeloare, wemeloare.
  • Węrloos : radeloos.
  • Zair : pijn.
     Gezegde : ‘k en zair a me oar (ik heb een kater).
  • Zoetekoeke (MV : Zoetekoeken) : peperkoek.
  • Ęsderme of strop : anus
  • éjerpuf : boer met eiersmaak.
     Gezegde : : kén den éjerpuf (last van de maag hebben na het eten van eieren).
  • ęverébbe (MV : ęverébm) : mager mens of kort hemdje.